Gekooide dieren
Van kooi naar kooi
Van inrichting naar inrichting
Van de ene kooi naar de andere kooi verhuis ik,
maar wat veranderd is de inrichting maar ik ben nog steeds niet,
daarbuiten waar ik wil wezen, buiten die kooi.
Maar die wereld daarbuiten is misschien wel
alleen maar hier binnen in mijn hoofd
als hoop zonder tralies.
Al die mensen daarbuiten, buiten mijn kooi
verafschuw ik niet om hun vrijheid
maar om hun achteloosheid, gebrek.
Gebrek aan waardering voor hun
kooi zonder tralies, naïviteit en
niet weten hun werkelijkheid.
Als gekooide kan ik niks zeggen
heen en weer lopen kan ik als dier
ben ik weer niet in staat te praten.
Als dier denk ik weer in beelden,
gevoelens en reacties zonder woorden
die mij leren, niets leren.
De mensen praten en praten en maken
elkaar wijs, van de wijs dat dit zal zo
en dat zal zus maar alleen met woorden.
Alleen met woorden van horen zeggen,
van ooit en vroeger van hem of haar
maar zonder gevoel.
Gevoel van oorsprong uit het diepste
van wat wij allen zijn,
gekooide dieren.
-x-
Voor dovenmansoren.
Waarom nog schrijven voor dovenmansoren?
Waarom nog schrijven voor dovenmansoren?
Waarom schrijven al eeuwen,
voor doven die wijzen zoveel?
Te vertellen hebben ze al,
van het nieuwe en herhaling het oude.
Maar voor doven en blinden die,
horen en lezen.
Maar niet willen,
niet kunnen?
Niet begrijpen.
Waar wijzen naar wijzen.
Waar wijzen naar wezen.
Waar je wil wezen.
Voor je toekomst voorzien.
Maar men is niet geïnteresseerd.
Te druk met niet zien wat is buiten.
Maar van binnen,
een doolhof dat vol is van,
muren te luid.
De oorzaak van hun doofheid,
voor wat is daarbuiten,
hun hoofden geschreven.
-x-
Portier: “He filosoof!”
Filosoof: “Ja.”
Portier: “Wat moet je hier?”
Filosoof: “Ademhalen is wel handig.”
Portier: “Grapjas, wat doe je hier op deze plek?”
Filosoof: “Zijn.”
Portier: “Zijn??? Moet je hier zijn? Moet je naar binnen?”
Filosoof: “Nee, determinisme is niet mijn ding.”
Portier: “Determiewie”
Filosoof: “De toekomst ligt vast.”
Portier: “Als jij zo door gaat blijft deze deur dicht, dat staat ook vast.”
Filosoof: “Dus dat is gedetermineerd.”
Portier: “Als jij het zegt.”
Filosoof: “Dus daar heb jij niks over te zeggen?”
Portier: “Natuurlijk wel, ik bepaal wie er binnen komt.”
Filosoof: “Dus de toekomst ligt nog open?”
Portier: “Ja, natuurlijk.”
Filosoof: “Dus ik hoef hier niet te zijn?”
Portier: “Huh.”
Filosoof: “Jij vroeg zonet of ik hier moest zijn.”
Portier: “Ja.”
Filosoof: “Ik moet hier niet zijn.”
Portier: “Wat doe je hier dan?”
Filosoof: “Ik ben hier.”
Portier: “Ja dat zie ik ook wel.”
Filosoof: “Nou, moeten laat mij geen keus, hier zijn is neutraal.”
Portier: “Hier zijn is neutraal, wat bedoel je daar nou weer mee?”
Filosoof: “Ik ben hier toch, dat zie je toch?”
Portier: “Ja.”
Filosoof: “daar zijn we het beiden over eens.”
Portier: “Ja.”
Filosoof: “wat ik hier moet weet jij niet en ik ook niet, het was dus een nogal moeilijke vraag die je stelde.”
Portier: “Maar ik vraag dat altijd aan de mensen als ze hier voor mij staan.”
Filosoof: ”Maar ik ben een filosoof.”
-x-
Droomautomaat,
Diep graven gaan we door het donker
van mijn gedachten naar het binnenste
waar het licht is om te gaan als op een berg
die is gekanteld en verlicht met grote passen
komt hij aan die gedachte dat eens was
een vergezicht maar nu is een zicht op
het donker achter mij waar ik vandaan kwam
daarbuiten de wereld lijkt nu ver weg in dit
mooi landschap waar het donker zijn plek heeft.
Morgen gaan we praten en denken en zoeken
en graven naar dieptes en lachen om woorden
uit verband trekken het leven alsof het iets is
en wil zijn waar het ik geen idee van heb en wil ik
dat allemaal wel weten wat is en mag zijn van
verwachting en hoop op de sturing van mijn zelf,
een droomautomaat.
-x-
De bergen doemen op
als ik terug kijk via de weg
die als enige begaanbaar is
terug in de tijd.
Naar de toekomst loopt een pad
door een dal met bergen
aan weerszijden zo als altijd
als je naar boven kijkt
en niet daar staat.
Naar de toekomst kun je kijken
maar niet zien wat daar is
door de bossen loopt dat pad
zonder vergezicht te prijzen
geeft het hardheid als de steen
die in het nu is als een deel
van dat huis daar onderaan die berg
waar ik nu woon.
Naar de toekomst ga je vanzelf
naar beneden als van de top waar je
nu bent te genieten van het uizicht
is je plicht zonder dwang kun je
kiezen dat die berg hier vanuit beneden
is wat je bezit.
Naar de toekomst hoef ik niet
door iedere stap die ik zet
en iedere klop van mijn hart
verdwijnt een verleden
en komt een nieuwe
zonder drukte die ik kan maken
om dit feit als steen zo hart.
-x-
Leerling: ‘Meester.’
Meester: ‘Ja.’
Leerling: ‘Wat is wijsheid meester?’
Meester: ‘Zie je die boom daar?’
Leerling: ‘ja’.
Meester: ‘Groot en machtig is die boom, honderden jaren oud, hij heeft al vele stormen mee gemaakt en nog steeds staat hij trots overeind.’
Leerling: ‘Is dat wijsheid meester?’
Meester: ‘Nee, wij zijn het als we nu een stapje opzij doen want ze zijn hem aan het omkappen’
-x-
Denkend aan Holland
zie ik vele manieren
traag door dit eindig
land gaan
ijle populisten
als hoge vuisten
aan het binnenhof staan;
en in de eindige
ruimte beschonken
de mandarijnen
verspreid door het hof,
bromberen, doemdenkers,
geknotte tenen,
kerken en socialen
in een grootse brand.
de sfeer is er laag
en gezond wordt er langzaam
in grijze keurigheid
ingedampt, gesmoord,
en daar in het westen
wordt de stem van de kiezers
met hun eeuwige wendingen
gevreesd en gehoord.
-x-
Door de sneeuw ga ik verder waar het pad ophoud.
Het pad dat mij bracht naar dat wat is, onverwacht.
Denkend te weten waar we heen gaan, en verstaan.
Maar wat doe ik hier, wat doe ik hier in de sneeuw.
Ik kan je een reden geven, of twee of drie of vier…
Wat is dan waar, allemaal? Maar wat heeft waarde.
Koude sneeuw waar ik in val, is over vol waarheid.
Niet te bedenken, nooit te verzinnen werkelijkheid.
Zonder reden, het wil iets geven van den waarheid.
Het gebeurd spontaan, ongedwongen net zoals dat.
Dat zijn hier van mij in het Noorden, en werkelijk.
Het geld voor allen, in het westen en in het zuiden.
En in het verre oosten, weten ze het al veel langer.
Denk niet te veel na, denk als een kind, iedere dag.
Zonder het verleden, durf te vallen in de sneeuw.
Wees niet bang voor het natte pak of het verwijt.
Het natte pak is te drogen, dagen verdwijnen.
Verdwijnen aan de horizon, die achter je.
Steeds voller wordt met oude dromen.
Meeslepend als een te zware last.
Of verworpen in verbittering.
Eindelijk zul je vergeten.
Hoe het was als kind.
Te zijn en te vallen.
In de sneeuw.
Nattigheid.
Lekker.
Goed.
Ja.
Dat.
Zijn als.
Weer worden.
Een kind.
Spel.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten