5.12.07

Branding

Zie daar in de verte, het land van onze dromen.
Het land waar we zo graag willen zijn maar nooit komen.
Het dilemma van ons mens-zijn, het daar willen zijn
het daar in de toekomst en het verleden.
Het nu is er niet, we komen van daar en zijn onderweg naar...
Naar de toekomst zijn we gericht en de tijd helpt ons daar-bij.
Die gaat maar door en staat nooit is eens stil om ons te helpen,
stil te staan en te genieten van wat is, bevroren in de tijd.
Het nu, het moment, dat voorbij is bij de volgende tik,
de volgende seconde of beter gezegt... moment.
Want de tijd staat nooit stil en stroomt als voortdurend met ons mee,
aan ons voorbij en gaat maar door.
Door dit vloeien en stromen is er geen verleden, een eens was,
een ideaal waar naartoe we zouden kunnen, terugkeren en willen.
Het verleden stroomt ook en de gedachte daaraan, een stilstaand moment,
een bevroren ideaal in onze herinnering, bij elkaar geraapte momenten, versteend tot beeld, het nooit bestaande.
Verstard en niet stromend, bewegend zoals het leven is en de werkelijke tijd.
Zo ook de toekomst, een vooruit geschoven moment, een versteende seconde geworpen
naar die plek waar we graag willen zijn om stil te kunnen staan en rust...
Rust te vinden is wat we willen in de toekomst en zien in het verleden.
Maar we kunnen niet eens stilstaan op dit moment dus vanwaar deze illusie,
dat het verleden stil stond en de toekomst ons dat zal brengen.
Vanwaar dit korte geheugen, is het als de tijd, die ook maar gaat,
maar door gaat zonder stoppen, zonder stilstand.
Kunnen we wel vertrouwen op wat ons wordt gegeven als gedachtes,
in onze hoofden, die ook stromen en nooit zijn.
Die ook nooit stilstaan en het zelfde vertellen, die stromen als een rivier die gaat
door de oceaan zijn eigen weg met eb en vloed en deining bepalend zijn uitzicht,
verheven of laag, langzaam of snel.
Vandaar ons korte besef van wat gebeurd met ons in de wereld en met de wereld in ons.
Vandaar onze moeite met stilstaan en beseffen, kijken en zien.
Vaste bodem moet men vinden, om op te kunnen staan, weg van de invloed van dit
stromen, deinen, die onrust die ons allen bind maar ook verscheurd.
Niet bang moet men zijn om tegen de stroom in stil te gaan hangen en te voelen,
of er bodem is waar men zich bevind, zich te laten zakken in de duisternis onder je.
Niet bang zijn voor de koude daar beneden, eens zal je voelen de bodem,
zolang je maar blijft proberen en niet stopt na je jeugdige teleurstellingen en mee stroomt met de rest.
Stop dus, hang stil en laat alles aan je voorbij gaan en laat je benen zakken.
Verzet je tegen de richting van de tijd waar je in leeft hoezeer die je ook aan staat.
Ga staan en bepaal je eigen richting, waar je naar kijkt en waar je heen wil.
Maar vergeet niet dat de stroming je sleurt, drukt op je borst en je laat wankelen,
krabbel weer op en stop niet, sta weer op en eens zul je zo groot zijn dat die zee
je alleen nog maar kriebelt tussen de tenen en je zelfs weer kunt gaan zitten zelfs rusten
met je lichaam liggend op de stroming van je tijd die je dan alsnog meneemd
in alle rust en zonder spijt als een rots in de branding.


21.5.07

Gekooide dieren

Van kooi naar kooi

Van inrichting naar inrichting

Van de ene kooi naar de andere kooi verhuis ik,

maar wat veranderd is de inrichting maar ik ben nog steeds niet,

daarbuiten waar ik wil wezen, buiten die kooi.

Maar die wereld daarbuiten is misschien wel

alleen maar hier binnen in mijn hoofd

als hoop zonder tralies.

Al die mensen daarbuiten, buiten mijn kooi

verafschuw ik niet om hun vrijheid

maar om hun achteloosheid, gebrek.

Gebrek aan waardering voor hun

kooi zonder tralies, naïviteit en

niet weten hun werkelijkheid.

Als gekooide kan ik niks zeggen

heen en weer lopen kan ik als dier

ben ik weer niet in staat te praten.

Als dier denk ik weer in beelden,

gevoelens en reacties zonder woorden

die mij leren, niets leren.

De mensen praten en praten en maken

elkaar wijs, van de wijs dat dit zal zo

en dat zal zus maar alleen met woorden.

Alleen met woorden van horen zeggen,

van ooit en vroeger van hem of haar

maar zonder gevoel.

Gevoel van oorsprong uit het diepste

van wat wij allen zijn,

gekooide dieren.

-x-

Voor dovenmansoren.

Waarom nog schrijven voor dovenmansoren?

Waarom nog schrijven voor dovenmansoren?

Waarom schrijven al eeuwen,

voor doven die wijzen zoveel?

Te vertellen hebben ze al,

van het nieuwe en herhaling het oude.

Maar voor doven en blinden die,

horen en lezen.

Maar niet willen,

niet kunnen?

Niet begrijpen.

Waar wijzen naar wijzen.

Waar wijzen naar wezen.

Waar je wil wezen.

Voor je toekomst voorzien.

Maar men is niet geïnteresseerd.

Te druk met niet zien wat is buiten.

Maar van binnen,

een doolhof dat vol is van,

muren te luid.

De oorzaak van hun doofheid,

voor wat is daarbuiten,

hun hoofden geschreven.

-x-

Portier: “He filosoof!”

Filosoof: “Ja.”

Portier: “Wat moet je hier?”

Filosoof: “Ademhalen is wel handig.”

Portier: “Grapjas, wat doe je hier op deze plek?”

Filosoof: “Zijn.”

Portier: “Zijn??? Moet je hier zijn? Moet je naar binnen?”

Filosoof: “Nee, determinisme is niet mijn ding.”

Portier: “Determiewie”

Filosoof: “De toekomst ligt vast.”

Portier: “Als jij zo door gaat blijft deze deur dicht, dat staat ook vast.”

Filosoof: “Dus dat is gedetermineerd.”

Portier: “Als jij het zegt.”

Filosoof: “Dus daar heb jij niks over te zeggen?”

Portier: “Natuurlijk wel, ik bepaal wie er binnen komt.”

Filosoof: “Dus de toekomst ligt nog open?”

Portier: “Ja, natuurlijk.”

Filosoof: “Dus ik hoef hier niet te zijn?”

Portier: “Huh.”

Filosoof: “Jij vroeg zonet of ik hier moest zijn.”

Portier: “Ja.”

Filosoof: “Ik moet hier niet zijn.”

Portier: “Wat doe je hier dan?”

Filosoof: “Ik ben hier.”

Portier: “Ja dat zie ik ook wel.”

Filosoof: “Nou, moeten laat mij geen keus, hier zijn is neutraal.”

Portier: “Hier zijn is neutraal, wat bedoel je daar nou weer mee?”

Filosoof: “Ik ben hier toch, dat zie je toch?”

Portier: “Ja.”

Filosoof: “daar zijn we het beiden over eens.”

Portier: “Ja.”

Filosoof: “wat ik hier moet weet jij niet en ik ook niet, het was dus een nogal moeilijke vraag die je stelde.”

Portier: “Maar ik vraag dat altijd aan de mensen als ze hier voor mij staan.”

Filosoof: ”Maar ik ben een filosoof.”

-x-

Droomautomaat,

Diep graven gaan we door het donker

van mijn gedachten naar het binnenste

waar het licht is om te gaan als op een berg

die is gekanteld en verlicht met grote passen

komt hij aan die gedachte dat eens was

een vergezicht maar nu is een zicht op

het donker achter mij waar ik vandaan kwam

daarbuiten de wereld lijkt nu ver weg in dit

mooi landschap waar het donker zijn plek heeft.

Morgen gaan we praten en denken en zoeken

en graven naar dieptes en lachen om woorden

uit verband trekken het leven alsof het iets is

en wil zijn waar het ik geen idee van heb en wil ik

dat allemaal wel weten wat is en mag zijn van

verwachting en hoop op de sturing van mijn zelf,

een droomautomaat.

-x-

De bergen doemen op

als ik terug kijk via de weg

die als enige begaanbaar is

terug in de tijd.

Naar de toekomst loopt een pad

door een dal met bergen

aan weerszijden zo als altijd

als je naar boven kijkt

en niet daar staat.

Naar de toekomst kun je kijken

maar niet zien wat daar is

door de bossen loopt dat pad

zonder vergezicht te prijzen

geeft het hardheid als de steen

die in het nu is als een deel

van dat huis daar onderaan die berg

waar ik nu woon.

Naar de toekomst ga je vanzelf

naar beneden als van de top waar je

nu bent te genieten van het uizicht

is je plicht zonder dwang kun je

kiezen dat die berg hier vanuit beneden

is wat je bezit.

Naar de toekomst hoef ik niet

door iedere stap die ik zet

en iedere klop van mijn hart

verdwijnt een verleden

en komt een nieuwe

zonder drukte die ik kan maken

om dit feit als steen zo hart.

-x-

Leerling: ‘Meester.’

Meester: ‘Ja.’

Leerling: ‘Wat is wijsheid meester?’

Meester: ‘Zie je die boom daar?’

Leerling: ‘ja’.

Meester: ‘Groot en machtig is die boom, honderden jaren oud, hij heeft al vele stormen mee gemaakt en nog steeds staat hij trots overeind.’

Leerling: ‘Is dat wijsheid meester?’

Meester: ‘Nee, wij zijn het als we nu een stapje opzij doen want ze zijn hem aan het omkappen’

-x-

Denkend aan Holland

zie ik vele manieren

traag door dit eindig

land gaan

ijle populisten

als hoge vuisten

aan het binnenhof staan;

en in de eindige

ruimte beschonken

de mandarijnen

verspreid door het hof,

bromberen, doemdenkers,

geknotte tenen,

kerken en socialen

in een grootse brand.

de sfeer is er laag

en gezond wordt er langzaam

in grijze keurigheid

ingedampt, gesmoord,

en daar in het westen

wordt de stem van de kiezers

met hun eeuwige wendingen

gevreesd en gehoord.

-x-

Door de sneeuw ga ik verder waar het pad ophoud.

Het pad dat mij bracht naar dat wat is, onverwacht.

Denkend te weten waar we heen gaan, en verstaan.

Maar wat doe ik hier, wat doe ik hier in de sneeuw.

Ik kan je een reden geven, of twee of drie of vier…

Wat is dan waar, allemaal? Maar wat heeft waarde.

Koude sneeuw waar ik in val, is over vol waarheid.

Niet te bedenken, nooit te verzinnen werkelijkheid.

Zonder reden, het wil iets geven van den waarheid.

Het gebeurd spontaan, ongedwongen net zoals dat.

Dat zijn hier van mij in het Noorden, en werkelijk.

Het geld voor allen, in het westen en in het zuiden.

En in het verre oosten, weten ze het al veel langer.

Denk niet te veel na, denk als een kind, iedere dag.

Zonder het verleden, durf te vallen in de sneeuw.

Wees niet bang voor het natte pak of het verwijt.

Het natte pak is te drogen, dagen verdwijnen.

Verdwijnen aan de horizon, die achter je.

Steeds voller wordt met oude dromen.

Meeslepend als een te zware last.

Of verworpen in verbittering.

Eindelijk zul je vergeten.

Hoe het was als kind.

Te zijn en te vallen.

In de sneeuw.

Nattigheid.

Lekker.

Goed.

Ja.

Dat.

Zijn als.

Weer worden.

Een kind.

Spel.